namake.

Les 46: Wat is er, en waar is het?

Vertel wat of wie ergens aanwezig is, vraag naar een locatie en onderscheid ergens zijn van ergens iets doen.

Wat is er, en waar is het?

Je zoekt een docent en kijkt wat er in een lokaal staat. Je kent al あります uit les 26 en で voor de plaats van een handeling uit les 32. Hier verbind je die kennis met een nieuw onderscheid: dingen, mensen en dieren. Leg de betekenissen van de woorden klaar voordat je zinnen maakt.

Een boek, een kat of een boom

Met あります vertel je dat een ding aanwezig is. Met います doe je dat voor een persoon of een dier. In het Nederlands kiezen we soms ‘er ligt’, ‘er staat’ of ‘er is’; Japans kiest hier eerst op basis van wat aanwezig is. Een boek kan dus op tafel liggen zonder dat je een apart werkwoord voor ‘liggen’ nodig hebt.

Let op de boom: een plant leeft, maar krijgt in dit patroon あります. Gebruik daarom ‘mensen en dieren’ als keuzehulp voor います. Bekijk eerst het woord vóór が en kies daarna het werkwoord. De plaats bepaalt die keuze niet.

De ontkenningen zijn ありません en いません. Vervang de hele beleefde vorm; zet geen です achter あります of います. In deze les oefen je deze beleefde vormen direct. Je hoeft daarvoor nog geen woordenboekvorm te kunnen maken.

本があります。

ねこがいます。

木があります。

先生がいません。

Een plek toevoegen

Als je vertelt wat er op een plek aanwezig is, bouw je: plaatsに + ding of persoonが + あります of います. に markeert hier de plaats van aanwezigheid. が introduceert wat of wie je daar aantreft. Lees de hele zin eerst als drie blokken; probeer niet elk partikel met één vast Nederlands woord te vertalen.

Een plek kan zelf uit meerdere woorden bestaan. 机の上 betekent ‘de bovenkant van het bureau’ en in deze zinnen ‘op het bureau’. 机の下 is ‘onder het bureau’. の verbindt het bureau met de plek ten opzichte ervan; に komt na het hele plaatsblok. Daarom schrijf je 机の上に.

Neem nu dezelfde plek en verander alleen wat aanwezig is. Het boek krijgt あります, de kat います. Zo zie je welke keuze bij het plaatsblok hoort en welke bij het aanwezige ding of dier.

机の上に本があります。

机の下に本があります。

机の下にねこがいます。

机の下に本がありません。

Wat is er, of waar is het?

Kies eerst wat je wilt weten. Met 教室に何がありますか vraag je welke dingen er in het lokaal zijn. Met 教室にだれがいますか vraag je welke persoon er is. Voor een vraag naar dieren gebruik je 何 met います, bijvoorbeeld wanneer je weet dat er een dier aanwezig is maar nog niet welk dier.

Zoek je een bekend ding of een bekende persoon, dan begin je daarmee als onderwerp van het gesprek: 本はどこにありますか of 先生はどこにいますか. どこ is de onbekende plek. Je vraagt nu niet wat er in een lokaal staat, maar waar het boek of de docent is. は en が hebben hier verschillende functies; wissel ze niet willekeurig om.

In een antwoord hoef je bekende informatie niet steeds te herhalen. Op de vraag waar de docent is, past 教室にいます. Op een ja/nee-vraag over een kat passen はい、います en いいえ、いません. Het korte antwoord houdt de werkwoordkeuze uit de vraag vast.

教室にだれがいますか。

先生はどこにいますか。

教室にいます。

Er zijn of iets doen

De bibliotheek kan de plek zijn waar de docent aanwezig is, maar ook de plek waar de docent studeert. Met います zeg je waar iemand is; daarvoor gebruik je hier に. Met 勉強します zeg je wat iemand doet; で markeert dan waar die handeling plaatsvindt. Hetzelfde plaatswoord kan dus een ander partikel krijgen wanneer de boodschap verandert.

Lees van achteren terug als je twijfelt: is de kern ‘aanwezig zijn’ of een handeling zoals studeren? Kies daarna het plaatsdeel. Deze regel oefent de aanwezigheid van dingen, mensen en dieren; hij is geen regel voor iedere mogelijke zin met あります. Gebeurtenissen vallen buiten deze les.

Alle lessen