namake.

Les 08: Wat deed je gisteren?

Vraag naar gisteren en vertel met bekende werkwoorden op ました over afgeronde gebeurtenissen.

Wat deed je gisteren? De beleefde verleden vorm

Je kent enkele complete werkwoorden op ます uit les 06. Zeg eerst みずをのみます hardop. Vervang daarna alleen het laatste ます door ました en zet きのう vooraan: zo krijg je de eerste zin van deze les.

1. Van ます naar ました

Een beleefd werkwoord op ます krijgt in deze les een positieve verleden vorm door de laatste uitgang ます te vervangen door ました. のみます wordt のみました, たべます wordt たべました en べんきょうします wordt べんきょうしました. Het stuk vóór ます blijft bij deze bekende werkwoorden staan.

Gebruik ました hier voor concrete gebeurtenissen die in het gekozen verleden tijdvak plaatsvonden. Met きのう (KINOU), ‘gisteren’, is dat tijdvak duidelijk. ‘Afgerond’ beschrijft de situaties die je oefent; behandel ました niet als een los woord dat altijd letterlijk ‘klaar’ betekent. Voeg geen extra です achter het werkwoord toe: のみました is al beleefd.

きのう、みずをのみました。

きのう、おにぎりをたべました。

2. Zeven bekende handelingen in het verleden

Werk met activiteiten die je al kent: drinken, eten, kopen, een fysiek voorwerp pakken, kijken, lezen en studeren. Spreek elk paar na: のみます/のみました, たべます/たべました, かいます/かいました, とります/とりました, みます/みました, よみます/よみました en べんきょうします/べんきょうしました. Hoor je ました aan het einde, dan staat de beleefde vorm in het verleden.

とりました betekent hier, net als in les 06, dat iemand een fysiek voorwerp pakte of nam. Maak er niet automatisch ‘een foto nemen’ van; die andere betekenis heeft extra context en woordenschat nodig. Bij みました kan het object bijvoorbeeld テレビ zijn. Bij よみました past ほん. Koppel opnieuw op betekenis, niet alleen op een toevallige uitgang.

Let bij het lezen op de kleine ょ in べんきょうしました en op het verschil tussen よみました en よんでいます. In de verleden vorm blijft de basis よみ- zichtbaar. Gebruik de woordenronde eerst voor herkenning en kom daarna terug om complete zinnen te maken.

きのう、テレビをみました。

きのう、ほんをよみました。

きのう、にほんごをべんきょうしました。

3. Vraag naar een gebeurtenis van gisteren

Met きのう、なにをしましたか (KINOU, NANI O SHIMASHITA KA) vraag je ‘Wat heb je gisteren gedaan?’. きのう bepaalt het tijdvak, なに vraagt naar de inhoud van de handeling, を markeert die inhoud en しましたか sluit de beleefde verleden vraag af. De woordvolgorde blijft een gewone Japanse volgorde; je hoeft geen hulpwerkwoord vooraan te zetten zoals in sommige Nederlandse of Engelse vragen.

Een antwoord mag きのう herhalen, maar dat hoeft niet wanneer het gesprek al duidelijk over gisteren gaat. Geef één of twee concrete positieve gebeurtenissen. De negatieve verleden vorm is nog geen leerdoel, en je hebt geen vraag met どこで nodig. Houd deze brug klein: tijd, object en een bekend positief werkwoord op ました.

きのう、なにをしましたか。

ほんをよみました。

4. Dezelfde activiteit in drie tijdbeelden

Vergelijk één activiteit zonder de vormen door elkaar te mengen. みずをのみます is niet-verleden en kan in een passende context een gewoonte of plan zijn. いま、みずをのんでいます gebruikt de vaste les-07-chunk voor drinken dat nu bezig is. きのう、みずをのみました plaatst het drinken in het verleden. Het tijdwoord helpt, maar de werkwoorduitgang draagt ook betekenis.

Kies eerst welk tijdbeeld je bedoelt. Zoek daarna de vorm die daarbij hoort. Schrijf niet きのう、のみます wanneer de opdracht expliciet vraagt naar een afgeronde gebeurtenis van gisteren. Schrijf ook geen ましたです: beide delen zouden om dezelfde beleefdheidsfunctie strijden, terwijl ました al de volledige beleefde werkwoorduitgang is.

5. Twee gebeurtenissen vertellen

In een kort gesprek kan één vraag meerdere gebeurtenissen oproepen. Bram antwoordt eerst dat hij bruiswater kocht en voegt daarna toe dat hij een rijstbal at. Omdat きのう al in de vraag staat, hoeft hij het tijdwoord niet voor elk antwoord te herhalen. Beide werkwoorden eindigen wel op ました, zodat de verleden tijd hoorbaar blijft.

Lees eerst alleen de Japanse regels en markeer de twee objecten en twee werkwoorden. Speel daarna beide rollen. Vervang in een tweede ronde bruiswater door televisie en kies het passende werkwoord みました. Het resultaat is een nieuwe combinatie, geen kopie van het eerste antwoord.

きのう、なにをしましたか。

たんさんすいをかいました。

おにぎりをたべました。

6. Zelf ophalen zonder nieuwe grammatica

Schrijf drie bekende ます-vormen onder elkaar en verander alleen hun slot naar ました. Voeg daarna bij elke vorm een logisch object toe. Lees de drie zinnen met きのう eenmaal hardop. Controleer afzonderlijk: klopt de betekenis van het object bij de handeling, en eindigt het werkwoord echt op ました?

De eindcheck laat je eerst betekenis herkennen en daarna zelf twee korte zinnen maken. Gebruik kana, de bijbehorende kanji of romaji. Je hoeft niet te vertellen waar een handeling plaatsvond en je hoeft geen negatieve verleden vorm te maken.

Alle lessen