namake.

Les 05: Waar is het?

Vraag waar een plaats is, begrijp een kort antwoord en rond beleefd af.

Je weg vinden op school

Je kent de afstandswoorden uit les 03 en de beleefde vraag met ですか (DESU KA). Nu gaat het niet om een ding maar om een plek. Je hoeft nog geen route met links, rechts of rechtdoor te kunnen beschrijven.

1. Een ding is niet hetzelfde als een plek

Je kon al naar een ding verwijzen met これ (KORE). Voor de plek waar jij bent gebruik je ここ (KOKO), ‘hier’. Voor een plek bij je gesprekspartner gebruik je そこ (SOKO), ‘daar’. あそこ (ASOKO) is een plek verder bij jullie beiden vandaan. De afstandsgedachte blijft dus gelijk, maar de woorden verwijzen nu naar een locatie.

Stel je een schoolhal voor. Jij staat bij de receptie, Aki staat een stukje verder bij het lokaal en het toilet ligt verderop bij een deur. Vanuit jouw positie hoort de receptie bij KOKO, het lokaal bij SOKO en het toilet bij ASOKO. De blokken hieronder verbeelden deze situatie. Gebruik ze om eerst alleen de plekwoorden te zeggen; je hoeft nog geen volledige route uit te leggen.

2. Vijf schoolplekken en drie beleefde zinnen

Begin met きょうしつ (KYOUSHITSU), トイレ (TOIRE) en うけつけ (UKETSUKE). Dit zijn plekken waar je vaak naar vraagt. Voeg daarna じむしょ (JIMUSHO) en しょくどう (SHOKUDOU) toe. Lees de betekenis, luister en probeer het woord zonder de romaji te herkennen. Als je niet alle kana kent, laat de leessteun nog even aan.

トイレ (TOIRE) heeft drie gewone tekens, zonder verlengstreepje. In しょくどう (SHOKUDOU) vormen し en de kleine ょ samen SHO. De drie beleefde uitdrukkingen onderaan kun je als hele zinnen leren. すみません (SUMIMASEN) trekt vriendelijk de aandacht; ありがとうございます (ARIGATOU GOZAIMASU) bedankt. どういたしまして (DOUITASHIMASHITE) is een mogelijke reactie op een bedankje, geen verplicht antwoord in elk gesprek.

3. Van ‘wat’ naar ‘waar’

Om naar een plek te vragen gebruik je どこ (DOKO). Zet eerst neer welke plek je zoekt, bijvoorbeeld トイレ (TOIRE). Met は (WA) maak je die het onderwerp van je vraag. Dan komt de onbekende locatie: どこ. De beleefde vraag eindigt weer met ですか (DESU KA).

Vergelijk dit met なんですか (NAN DESU KA) uit les 03. Bij NAN wil je de naam of identiteit weten; bij DOKO wil je de locatie weten. In de vraag hieronder weet je al dat je een toilet zoekt. Het antwoord ‘een toilet’ zou je dus niet helpen. Een plaatsantwoord, zoals あそこです (ASOKO DESU), doet dat wel.

トイレはどこですか。

あそこです。

4. Kort en volledig antwoorden

Als de gezochte plek duidelijk is, volstaat ここです (KOKO DESU), そこです (SOKO DESU) of あそこです (ASOKO DESU). Kies de afstand vanuit degene die op dat moment antwoordt. Wie naast de receptie staat, kan ernaar wijzen met KOKO. De ander kan diezelfde plek als SOKO ervaren. Dit werkt net als het wisselen van spreker bij de voorwerpen in les 03.

Een volledige zin kan de plek opnieuw noemen: うけつけはここです (UKETSUKE WA KOKO DESU). Je kunt ook beginnen bij ‘hier’ en vertellen wat hier is: ここはきょうしつです (KOKO WA KYOUSHITSU DESU). De zinnen leggen net een andere nadruk. Voor een gewone waar-vraag is een kort duidelijk antwoord heel natuurlijk. Een route met bochten is niet nodig voor deze oefening.

うけつけはここです。

ここはきょうしつです。

5. Aandacht vragen, zoeken en bedanken

Een klein gesprek wordt natuurlijker met een begin en afsluiting. Zeg eerst すみません (SUMIMASEN) wanneer je iemand aanspreekt. Stel daarna je waar-vraag. De ander geeft een plek aan. Sluit af met ありがとうございます (ARIGATOU GOZAIMASU).

Speel hieronder beide rollen: bezoeker en medewerker. De medewerker wijst naar een plek ver van beiden. Wissel daarna het toilet voor de kantine en maak de vraag opnieuw. De volgorde van het gesprek blijft hetzelfde. Kun je na het antwoord zelf aanwijzen waar je naartoe zou lopen, dan heb je de betekenis gekoppeld aan de situatie.

すみません。トイレはどこですか。

あそこです。

ありがとうございます。

6. Vind een nieuwe plek

Bedenk nu zonder voorbeeld een waar-vraag over het kantoor. Geef vanuit een andere positie een kort antwoord. Voeg een beleefde opening en een bedankje toe. Als je alleen oefent, kun je letterlijk even van stoel wisselen voor de andere spreker. Luister of je plaatswoorden gebruikt in plaats van de bijna gelijk klinkende aanwijswoorden voor dingen.

De eigen toepassing hieronder helpt je dit nog één keer te doen. De eindcheck controleert het verschil tussen ding en plek, vraag en antwoord en je eigen zinsbouw. Een kort antwoord kan goed zijn als dat wordt gevraagd. Bij een volledige vraag moet ook de gezochte plek genoemd worden. Je hoeft voor deze les geen verdiepingen, richtingen of nieuwe getallen te kennen.

Alle lessen