Dit, dat en wat het is
Na les 02 ken je de beleefde afsluiting です (DESU) en vraaguitgang ですか (DESU KA). Nu gebruik je die voor dingen in plaats van personen. Leg voor jezelf een schrift of boek neer; een echte klas is niet nodig.
1. Waar ligt het voorwerp?
Een aanwijswoord helpt je iets te noemen zonder de naam al te weten. In deze les kijken we naar zichtbare voorwerpen. Kies これ (KORE) wanneer iets dichtbij jou als spreker is. Kies それ (SORE) wanneer het dichtbij je gesprekspartner is. Kies あれ (ARE) wanneer het van jullie beiden af staat.
Het schema hieronder is dus geen vaste vertaling van alle Nederlandse woorden voor ‘dit’ en ‘dat’. Het toont drie posities. Leg je schrift naast je, stel je een potlood bij de ander voor en een tas verderop. Wijs ze achtereenvolgens aan. Zeg eerst alleen KORE, SORE of ARE; een hele zin volgt straks.
2. Zes dingen leren noemen
Leer de zes voorwerpen hieronder niet als één lange lijst. Begin met ほん (HON), ノート (NOOTO) en えんぴつ (ENPITSU). Luister naar elk woord en wijs iets aan dat erbij past. Voeg daarna けしゴム (KESHIGOMU), かばん (KABAN) en じしょ (JISHO) toe. Met de leessteunknop verberg je de kana- en romajiregels in de voorbeeldkaarten; de eerste vermelding in deze uitleg blijft als oriëntatie staan.
In ノート (NOOTO) verlengt het streepje de O; het is geen versiering. In じしょ (JISHO) maakt de kleine ょ samen met し de klank SHO. De tekens verschillen, maar beide woorden passen op dezelfde plek in een zin. Je hoeft nog geen kanji te schrijven om deze les te doen. Gebruik de flashcards om de woorden kort op te halen en kom daarna terug.
3. Van aanwijzen naar een zin
Neem het patroon dat je uit les 02 kent: waarover praat je, en wat vertel je daarover? Met これは (KORE WA) maak je ‘dit’ het onderwerp van je mededeling. は wordt hier WA uitgesproken. Daarna noem je het voorwerp. Je eindigt beleefd met です (DESU).
Lees de zin hieronder als drie betekenisblokken, niet als losse Nederlandse woorden. Het Japans heeft hier geen apart woord voor ‘een’ nodig. Je kunt ノート vervangen door ほん (HON) zonder de rest te veranderen. これ kan zelfstandig naar een ding verwijzen; schrijf niet これほん om ‘dit boek’ te maken. Die andere bouwvorm leer je in les 04.
これはノートです。
それはえんぴつです。
4. Vragen wat iets is
Als je de naam niet weet, vervang je die naam door なん (NAN), ‘wat’. Maak van de mededeling een vraag met か (KA) aan het einde. Zo wordt ‘Dit is een schrift’ de vraag ‘Wat is dit?’. De positie van het onbekende stukje blijft gelijk. In なんですか (NAN DESU KA) gebruik je NAN, niet NANI.
何 kan ook als なに (NANI) worden gelezen; die lezing kom je later in andere patronen tegen. Voor deze les is NAN DESU KA genoeg. Het antwoord geeft de ontbrekende naam, bijvoorbeeld じしょです (JISHO DESU). Je hoeft het aanwijswoord niet telkens te herhalen als jullie allebei weten waarover het gaat. In de korte schrijfopdrachten staat steeds of een volledige of korte vorm wordt gevraagd.
これはなんですか。
じしょです。
5. Wisselen van spreker
Bram houdt een schrift vast en vraagt ‘Wat is dit?’. Voor Bram is het dichtbij: これ (KORE). Aki staat tegenover hem en antwoordt ‘Dat is een schrift’: それ (SORE). Het schrift is niet verplaatst. Alleen de persoon die spreekt is veranderd.
Lees de twee zinnen hieronder om de beurt als Bram en Aki. Wijs tijdens elke beurt vanuit die persoon naar het schrift. Zet het daarna ver bij jullie beiden vandaan en kies opnieuw het aanwijswoord. Dan kunnen beiden あれ (ARE) gebruiken. Dit perspectief is belangrijker dan één vaste Nederlandse vertaling uit je hoofd leren.
これはなんですか。
それはノートです。
6. Zonder voorbeeld proberen
Kies drie voorwerpen en geef ze verschillende posities. Benoem elk voorwerp met een volledige zin. Maak daarna van één zin een vraag naar de naam. Wissel tot slot van denkbeeldige spreker en controleer of je aanwijswoord verandert. Je oefent zo de betekenis en niet alleen een reeks klanken.
Hieronder kun je een eigen toepassing doen en daarna de eindcheck openen. In de eindcheck gaan de eerste twee vragen over begrip en schrijf je daarna twee korte antwoorden. Kana en de bijbehorende romaji worden geaccepteerd; spaties en punten zijn niet doorslaggevend. Een hint mag, maar wordt als hulp geregistreerd. Als iets lastig blijft, ga terug naar het betreffende hoofdstuk in plaats van meteen alles opnieuw te doen.