Het Japanse schrift als één systeem
Een Japanse zin mengt meestal hiragana, katakana en kanji. Dat zijn geen drie talen, maar drie schrijfwijzen met ieder een eigen taak.
Hiragana: de klank- en grammaticabasis
Met hiragana schrijf je Japanse klanken, zoals あ (a), か (ka) en ん (n). Hier begint het leren lezen, in kleine stappen.
Katakana: herkenbare buitenlandse klanken
Katakana gebruikt grotendeels dezelfde klanken als hiragana, maar heeft hoekigere vormen en een andere functie.
Kanji: betekenis leren in woorden
Kanji zijn tekens die betekenis dragen. De uitspraak van een teken kan veranderen met het woord waarin het staat.
Romaji en furigana helpen je lezen
Romaji schrijft Japanse klanken met Latijnse letters. Furigana zet kleine kana bij kanji om te laten zien hoe je het woord uitspreekt.
Uitspraak: luister naar lengte en ritme
Japans heeft een regelmatig ritme. Een kleine ゃ (ya), ゅ (yu) of ょ (yo), een kleine っ (tsu) en een lange klinker veranderen wat je hoort en soms ook de betekenis.
Zinsbouw: zoek het thema en het predicaat
Een eenvoudige Japanse zin bouwt vaak van context naar de kernboodschap aan het einde. Die kern heet het predicaat.
Partikels geven woorden een rol
Kleine woorden zoals は (wa), が (ga), を (o), に (ni) en で (de) staan na een woordgroep en vertellen wat die groep in de zin doet.
Beleefdheid en weggelaten informatie
Beginners starten meestal met beleefde vormen zoals です (desu) en ます (masu). Japans laat informatie weg wanneer die al duidelijk is uit de situatie.
Een leerroute die kennis actief maakt
Alleen lezen voelt vertrouwd, maar beheersing ontstaat door ophalen, controleren en later opnieuw proberen.